Home | Nieuws

Medisch nieuws

Gilead dient een aanvraag voor goedkeuring van een nieuw geneesmiddel in bij de Amerikaanse Food And Drug Administration voor Emtricitabine/Tenofovir Alafenamide voor de behandeling van HIV
1254 FOSTER CITY, Californie - Gilead Sciences, Inc. (NASDAQ: GILD) kondigde vandaag aan dat het een aanvraag voor goedkeuring van een nieuw geneesmiddel (NDA, New Drug Application) heeft ingediend bij de Amerikaanse Food And Drug Administration (FDA) voor twee doseringen van een onderzoekscombinatie met vaste dosis van emtricitabine en tenofovir alafenamide (200/10 mg en 200/25 mg) (F/TAF) voor de behandeling van HIV-1-infectie bij volwassenen en pediatrische patienten van 12 jaar en ouder, in combinatie met andere HIV-antiretrovirale middelen.

TAF is een nieuwe nucleotide reverse-transcriptaseremmer (NRTI) waarvan hoge antivirale werkzaamheid is aangetoond bij een dosis die minder is dan een tiende van Viread^(R) (tenofovirdisoproxilfumaraat, TDF) van Gilead en verbeterde nier- en botlaboratoriumparameters in vergelijking met TDF in klinisch onderzoek.

"Gilead heeft een lange geschiedenis van innovatieve HIV-behandelingen, en met F/TAF hebben we de mogelijkheid om behandelingen verder te optimaliseren voor HIV-patienten die met een levenslange behandeling met antiretrovirale middelen worden geconfronteerd," aldus Norbert Bischofberger, PhD, Executive Vice President, Research and Development en Chief Scientific Officer, Gilead Sciences. "Met de hoge antivirale werkzaamheid en het gunstig veiligheidsprofiel, kan F/TAF een verbeterde ruggengraat bieden voor een nieuwe generatie van HIV-behandelingen."

1181

Bij patiënten van wie het immuunsysteem niet goed werkt, bijvoorbeeld door immuunonderdrukkende medicijnen of ziekte, werkt hepatitis A-vaccinatie niet altijd naar behoren. Dat stellen wetenschappers van het AMC in The Journal of Infectious Diseases (2015; epub 3 februari).

Nu veel autoimmuunziekten en ziekten als aids steeds beter te behandelen zijn, worden patiënten ook weer reislustiger. Dat betekent dat ze in aanmerking komen voor verschillende reisvaccinaties, zoals die tegen hepatitis A. Bij gezonde mensen is bekend dat deze vaccinatie, die doorgaans bestaat uit 2 shots, bij meer dan 99% van de gevallen leidt tot bescherming. Maar voor patiënten met een haperend immuunsysteem is het niet duidelijk hoe goed deze vaccinatie werkt.

Hannah Garcia Garrido en collega’s verzamelden daarom 85 mensen met een onderdrukt immuunsysteem. 65 van hen slikten immuunonderdrukkende medicijnen, 13 hadden een stamceltransplantatie ondergaan, en 7 waren hiv-patiënt.

Van deze groep ontwikkelde 76,5% beschermende antilichamen. Van de gebruikte immuunonderdrukkende medicijnen bleek TNF-α bescherming het minst in de weg te staan. Niet onverwacht bleek een hoge dosis medicijnen negatief gecorreleerd met het ontwikkelen van antilichamen. Hiv-patiënten hadden een bescherming van 57,1% en stamcelpatiënten zaten rond het gemiddelde. Patiënten met een minder functionerend immuunsysteem bleken sterk afhankelijk van de 2e vaccinatie. Het succes van de vaccinatie is bovendien hoger als er meer dan 3 maanden tussen de vaccinaties zit in plaats van 1.

De wetenschappers concluderen dat hepatitis A-vaccinatie matig tot goed werkt bij patiënten met een minder goed werkend immuunsysteem, en dat het daarom belangrijk is dat patiënten de concentratie antilichamen laten meten voor ze zich in risicogebied begeven. Vooral mannen laten het nogal eens afweten. Het meten moet niet te snel na de vaccinatie plaatsvinden, omdat het bij deze patiënten langer duurt voordat de antilichaamrespons op peil is.

1175

Het doel van een behandeling met hiv-remmers is hiv helemaal te onderdrukken. Als hiv 'ondetecteerbaar' is, houdt dit in dat hiv nog wel in het lichaam aanwezig is maar in zo'n kleine hoeveelheid dat je het niet meer kunt meten in het bloed. Je hebt het dan over een 'viral load' van minder dan 50 virusdeeltjes per ml bloed. Dit is noodzakelijk voor een goede gezondheid van mensen met hiv, maar zorgt er ook voor dat de kans dat iemand hiv overdraagt –mits er wordt voldaan aan een aantal voorwaarden- zeer klein is. Tijdens de Conferentie over Retrovirussen en Opportunistische Infecties (CROI 2015) in Seattle zijn diverse onderzoeken gepresenteerd die deze sterk verkleinde kans op hiv-overdracht bij een ondetecteerbare viral load bevestigen.
 

PARTNER
In 2011 werd al een onderzoek gepresenteerd waaruit bleek dat als je vroeg start met hiv-behandeling, de kans sterk wordt verkleind - tot wel 96% - dat hiv wordt overgedragen op iemand die nog niet is geïnfecteerd. Dit onderzoek werd uitgevoerd onder heteroseksuele koppels. Om te kijken of dit ook geldt voor homoseksuelen werd het PARTNER onderzoek opgezet, waarbij het effect van hiv-medicatie op de overdracht van hiv onder zowel heteroseksuele als homoseksuele koppels werd onderzocht. Van de koppels was een van de twee hiv-positief en slikte al 5 jaar of langer hiv-medicatie en had een ondetecteerbare viral load. De resultaten tot nu toe - het onderzoek duurt nog tot 2017 - laten zien dat er nog geen hiv-overdracht is voorgekomen bij de 1.110 koppels. Dit is echter nog niet hetzelfde als een kans van nul op hiv-overdracht. De onderzoekers van PARTNER hebben uitgerekend dat het risico op overdracht van hiv niet meer dan 0,45% per jaar is voor heteroseksuele koppels en 1% voor homoseksuele stellen.

Gilead maakt de fase 3-resultaten bekend van het eenmaal daagse, uit een tablet bestaande hiv-onderzoeksregime dat tenofovir alafenamide (TAF) bevat

- Het eerste op TAF gebaseerde regime is vergeleken met Stribild niet inferieur bevonden, met verbeterde renale en botparameters ^(R) -

SEATTLE - (Business Wire)

Gilead Sciences, Inc. (NASDAQ: GILD) maakte vandaag de resultaten na 48 weken bekend van twee fase 3-studies (studies 104 en 111) ter beoordeling van het onderzoeksregime van eenmaal daags een enkele tablet tenofovir alafenamide (TAF) voor de behandeling van hiv-1-infectie bij niet eerder behandelde volwassenen. Een regime met elvitegravir 150 mg, cobicistat 150 mg, emtricitabine 200 mg en TAF 10 mg (E/C/F/TAF) werd statistisch niet inferieur bevonden aan Gilead's Stribild^(R) (dat elvitegravir 150 mg, cobicistat 150 mg, emtricitabine 200 mg en tenofovirdisoproxilfumaraat 300 mg bevat), gebaseerd op percentage patienten met hiv-1-RNA-waarden van minder dan 50 kopieen/ml. In een tweede analyse werd gevonden dat patienten die het TAF-regime kregen ook significant betere renale en botparameters hadden dan patienten die met Stribild werden behandeld. De gegevens werden gepresenteerd tijdens twee laatste-nieuws-presentaties (sessie O-10 en O-11) op de 22e Conference on Retroviruses and Opportunistic Infections (CROI) in Seattle.

TAF is een nieuwe nucleotide reverse-transcriptaseremmer (NRTI) waarvan hoge antivirale werkzaamheid is aangetoond bij een dosis die 10 keer lager is dan Viread^(R) (tenofovirdisoproxilfumaraat, TDF) van Gilead en verbeterde nier- en botlaboratoriumparameters in klinisch onderzoek.

"Renale en botgezondheid op de lange termijn is een voortdurende zorg, met name als mensen met hiv langer leven en langere tijd op antiretrovirale behandeling blijven,"

aldus Paul Sax, MD, Clinical Director bij Brigham and Women's Hospital, Professor of Medicine bij Harvard Medical School en hoofdonderzoeker van de E/C/F/TAF-veiligheidsanalyse.

"Deze resultaten laten zien dat een op TAF gebaseerd enkel-tabletregime de potentie heeft tegemoet te komen aan de behoeften van daarvoor geschikte hiv-patienten die het vooruitzicht hebben op levenslange antiretrovirale therapie."

Met hiv-behandeling beginnen bij 500 of meer CD4-cellen (per mm3 bloed) verlaagt het risico op tuberculose, andere ernstige ziektes en uiteindelijk sterfte met 44%. Dit blijkt uit een nieuw zevenjarig onderzoek – The Temprano – wat gepresenteerd werd tijdens de Conferentie over Retrovirussen en Opportunistische Infecties (CROI 2015) in Seattle. De huidige richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) raden aan om met behandeling te beginnen als het aantal CD4-cellen onder de 500 komt. CD4-cellen spelen een belangrijke rol in het menselijke afweersysteem.  
1170 Het onderzoek is gedaan in Ivoorkust met als doel na te gaan of vroeger beginnen met hiv-behandeling veilig en effectief is, met name in een landen waar tuberculose en bacteriële infecties vaak voorkomen. Door de lage weerstand van mensen met hiv kunnen zij hier ernstig ziek van worden en eerder beginnen met hiv-behandeling kan dan voordelig zijn. 
 

WHO-richtlijnen
Aan het onderzoek deden 2.000 mensen mee die op dat moment niet werden behandeld voor hiv en geen actieve tuberculose hadden. De participanten werden verdeeld in twee groepen: de ene groep begon meteen met hiv-behandeling en de andere groep wachtte met behandeling totdat het aantal CD4-cellen was gezakt volgens de richtlijnen van WHO. Toen het onderzoek begon raadde de Wereldgezondheidsorganisatie aan om te beginnen met hiv-behandeling als iemand minder dan 200 CD4-cellen had. Inmiddels zijn de richtlijnen aangepast en wordt er aangeraden om met hiv-medicatie te beginnen bij minder dan 500 CD4-cellen. Uit het onderzoek blijkt dat de mensen die meteen beginnen met hiv-medicatie minder ziektes krijgen zoals tuberculose of bacteriële infecties. Het risico op andere bijkomende ziektes vermindert met maar liefst 44%.
 

Behandeling eerder starten
De onderzoekers geven aan dat van het criterium van het aantal CD4-cellen om te beginnen met hiv-behandeling moet worden losgelaten. Mensen met hiv zouden moeten worden geadviseerd direct te beginnen met behandeling. Zeker in landen waar tuberculose en bacteriële infecties veel voorkomen.

De genetische variatie in gastheerfactoren, betrokken bij de herkenning van het hiv-1-virus door ons immuunsysteem, zijn belangrijk voor het beloop van ziekte na een infectie. Dit blijkt uit het proefschrift van Booiman naar hiv, het virus dat aids veroorzaakt. 
Het vermogen van hiv-1 om zich te vermeerderen, wordt beïnvloed door veel gastheerfactoren die de vermenigvuldiging van het virus kunnen bevorderen of remmen. Booiman heeft een aantal nieuwe gastheerfactoren geïdentificeerd en onderzocht hoe deze de hiv-1-vermenigvuldiging beïnvloeden. Daarnaast heeft hij gekeken naar het effect van de natuurlijk voorkomende genetische variatie in deze gastheerfactoren op het ziektebeloop na hiv-1 infectie. 
Met de huidige antivirale therapie kan de aanwas van hiv-1-deeltjes alleen worden onderdrukt. Behandeling met deze antivirale therapie leidt niet tot totale genezing. Daarnaast is er het gevaar dat het virus resistent wordt voor de huidige antivirale middelen. Gastheerfactoren zijn belangrijke mogelijke doelwitten voor nieuwe medicijnen om zo virusremmende factoren te activeren of factoren kunnen remmen die de vermenigvuldiging van het virus bevorderen. Het is daarom van groot belang om de interactie tussen hiv-1 en de gastheerfactoren te bestuderen op zoek naar nieuwe behandelwijze van een infectie met hiv. 

966

diabetes © Istock

Verhogingen in belangrijke markers van systemische ontsteking worden geassocieerd met de ontwikkeling van type 2 diabetes bij mensen die antiretrovirale therapie (ART) nemen, melden onderzoekers in de online editie van het Journal of Acquired Immune Deficiency syndromen. De auteurs onderzochten de relatie tussen de uitgangswaarden van hoge gevoeligheid C-reactief proteïne (hsCRP) en interleukine-6 (IL-6) en het incident type 2 diabetes bij mensen met hiv in twee grote studies - de SMART en ESPRIT studies. De deelnemers aan de studie namen ART zonder enige aanvullende therapie. Hogere hsCRP en IL-6 waarden waren geassocieerd met diagnose type-2 diabetes tijdens de follow-up.

"Ontstekingsmerkers bieden onafhankelijke informatie voor het voorspellen van de ontwikkeling van diabetes," reageren de auteurs. "Experimentele studies die gericht zijn op het verminderen van de ontsteking zijn nodig om een causaal verband vast te stellen."

Verbeteringen in de behandeling en zorg betekenen dat veel mensen met HIV hebben nu een uitstekende levensverwachting hebben. Echter, HIV infectie - zelfs in de context van effectieve ART – is geassocieerd met een hoger risico op metabolische complicaties, waaronder de ontwikkeling van type 2 diabetes. De redenen hiervoor zijn niet duidelijk, maar mogelijke oorzaken zijn de bijwerkingen van sommige anti-HIV middelen en de inflammatoire effecten van HIV-infectie, die kan bestaan bij lage niveaus, zelfs in de context van ART.

Een aantal onderzoekingen in de algemene populatie suggereren dat hogere hsCRP en IL-6 geassocieerd kunnen worden met type 2 diabetes. Maar het is onduidelijk of dit ook het geval is bij mensen met hiv.

Onderzoekers voerden daarom een retrospectieve analyse uit van de relatie tussen hsCRP en IL-6 en incidentie type 2 diabetes in ongeveer 3700 mensen die deelnamen aan de SMART en ESPRIT studies.

Twee aminozuren bepalen uiteindelijke succes van infectie

964

Foto: Integrase (blauw) zet viraal DNA (rood) in menselijke sequentie (oranje)

Slechts twee aminozuurresten bepalen de plekken waar het hiv-virus zijn DNA inbouwt in dat van zijn gastheercel. Vervang die door iets anders en het kiest een andere plek die nog meer of misschien wel minder kwaad kan, schrijven Leuvense onderzoekers in Cell Host & Microbe.

Die aminozuren zitten in het integrase-enzym dat mee komt met het virus. Om precies te zijn serine op positie 119 en arginine op 231.

Het humaan immunodeficiëntievirus (hiv) kan zich op verschillende plaatsen in het menselijk DNA inbouwen, en die plaats kan bepalen hoe snel het ziekteproces verloopt. Dat blijkt uit een studie van de Onderzoeksgroep Moleculaire Virologie en Gentherapie.

994

Foto: Het hiv-eiwit integrase (in het blauw) kan het hiv-DNA (rood) op verschillende plaatsen in het menselijk DNA (oranje) inbouwen. Hoe het virus de plaats kiest, was tot nu toe niet duidelijk. Leuvense virologen ontdekten dat die keuze bepaald wordt door twee van de meer dan 200 aminozuren waaruit integrase is opgebouwd.

Als hiv in het bloed geraakt, bindt elk virusdeeltje zich aan een menselijke immuuncel en dringt die binnen. Daar verandert hiv het genetisch materiaal van de gekaapte immuuncel zodanig dat die geherprogrammeerd wordt om nieuwe hiv-deeltjes aan te maken. Bij dat hele proces speelt het hiv-eiwitintegrase een sleutelrol: dat eiwit herkent een kort stukje erfelijk materiaal van de gastheer en versnelt de chemische reacties die het DNA van virus en gastheer met elkaar versmelten.

 

Uit de praktijk

Auteur(s): Auteur(s): Karien Gosens, arts-onderzoeker dermatologie en infectieziekten, AMC Amsterdam.
Publicatiedatum: 19-09-2014 
Artikelnummer: 3576

Een zestigjarige man is door zijn hiv-behandelaar doorverwezen voor AIN screening (Anale Intraepitheliale Neoplasie, voorstadia van anuskanker). Momenteel heeft de patiënt geen (anale) klachten.

908

Patiënt is hiv positief en onder cART (combinatie Anti-Retrovirale Therapie) behandeling. Hiermee is de viral load ondetecteerbaar en het CD4 bedraagt 670/µl (normaalwaarde 460- 1450/µl). Voorgeschiedenis vermeldt een longembolie en hypertensie. Doorgemaakte soa zijn tweede stadium syfilis en anale chlamydia en gonorroe. De patiënt is in 2012 eenmalig door een dermatoloog behandeld voor intra-anale condylomata acuminata met vloeibare stikstof, met goed resultaat. Er werden hierbij geen biopten afgenomen. Patiënt heeft seks met mannen (MSM) en heeft zowel passieve als actieve anale onbeschermde seks met meerdere partners.
Er werd Hoge Resolutie Anoscopie (in steensnedeligging) verricht waarbij meerdere afwijkingen a vue waren. Intra-anaal zagen wij op 3, 6, 9 en 12 uur miliaire, verruceuze papels. Peri-anaal werden 2 nummulair grote uitstulpingen van de huid (marisken) met verruceuze aspecten gezien en op 6 uur een gebied met hyperkeratinisatie. Bij rectaal toucher waren er geen bijzonderheden. Van alle laesies werden biopten afgenomen.

Vraag
Volgens de multidisciplinaire 2e lijns soa-richtlijn (tinyurl.com/soarichtlijn2012) worden condyloma acuminata op klinische gronden gediagnosticeerd en gezien als goedaardige afwijkingen. Gelden deze aannames ook voor HIV+ MSM?

Antwoord